Mineralen

 

 

MINERALEN EN SPORENELEMENTEN

IN HET WEIDERANTSOEN

 

Uit vers gras-onderzoek blijkt dat er een enorme variatie bestaat wat betreft de gehalten aan mineralen en sporenelementen. Door de veredeling van gras is de samenstelling veel minder constant geworden. Een hogere verteerbaarheid gaat vaak samen met een snellere groei, wat resulteert in een wisselende mineralensamenstelling.

 

De effecten van een rantsoenaanvulling met mineralen zijn voor de veehouder soms weinig zichtbaar. Enkel wanneer er werkelijk een groot tekort is, kunnen soms spectaculaire effecten optreden, maar dat komt doorgaans slechts voor na een zeer lange periode van tekort of onevenwicht in het rantsoen.  Een andere reden die maakt dat de effecten van mineralen en sporenelementen moeilijk waarneembaar zijn, is dat dikwijls interacties optreden tussen verschillende van deze stoffen (vb. K – Mg, Fe – Zn, …).

Daarnaast variëren de behoeften van rundvee sterk in functie van het lactatiestadium, dracht, productieniveau , …  Ook kan het zijn dat in het (weide-)rantsoen wel voldoende mineralen aanwezig zijn, maar dat het dier deze onvoldoende benut. Deze benuttingsgraad varieert sterk van dier tot dier.

Enkele van deze mineralen en hun invloed op de gezondheid van het vee vragen meer uitleg:

 

MAGNESIUM

De koe legt voor verschillende mineralen een reserve-voorraad aan. Bij tekorten worden deze dan aangesproken. Maar voor magnesium kan ze helemaal geen voorraad opbouwen. Dagelijks extra magnesium verstrekken is de enige mogelijkheid om voldoende magnesium in het rantsoen te krijgen.

Daarnaast heeft magnesium een relatief lage absorptiepercentage. Hoog kalium- en eiwitgehalte in het rantsoen doen dit percentage nog dalen. Ook bij jongvee wordt in de weideperiode regelmatig magnesium-tekorten vastgesteld. Het vaststellen van een magnesium-tekort moet bij alle leeftijdsgroepen gebeuren via de urine.

       

Een herkauwer beschikt over een zelf-regulerend opnamesysteem voor mineralen.  

 

NATRIUM

Natrium speelt een belangrijke rol bij de membraan-doorlaatbaarheid van de cellen. Het regelt, samen met chloor, de osmotische druk in het lichaam (waterhuishouding). Daarnaast is het onmisbaar voor een optimale speekselsecretie en het zuur-base evenwicht (= goede penswerking).

De natriumbehoefte is het grootst bij lacterend melkvee en groeiend jongvee. Bij een tekort aan natrium verminderen de eetlust en de melkproductie. De dieren vallen af, vertonen likzucht en hebben een droge, doffe huid. Een verminderde vruchtbaarheid wordt eveneens in vele gevallen waargenomen. Tekorten worden bij voorkeur opgespoord via een speekselanalyse.   

             

CALCIUM

Dit mineraal wordt vaak in één adem genoemd met fosfor. Naast de beide concentraties wordt ook gekeken naar hun onderlinge verhouding. Beide mineralen zijn de hoofdbestanddelen van botten.

Daarnaast is calcium nodig bij een groot aantal lichaams-functies (o.a. bloedstolling en activiteit spieren). Bij een rantsoen met 0,45 % calcium en 0,40 % fosfor per kg droge stof is de behoefte vrijwel steeds gedekt. Jongvee neemt weinig voer op en groeit relatief snel. Hierdoor is de calciumbehoefte bij deze leeftijdsgroep groter (0,65 % calcium, 0,40 % fosfor) dan bij oudere runderen.

Gedurende de laatste jaren is bij een groot aantal grasmonsters een laag calcium-gehalte vastgesteld. Met name voorjaarsgras bevat nogal eens te weinig calcium en veel fosfaat.   

 

KOPER

Koper is in het lichaam betrokken bij verschillende functies, zoals de bloedvorming, de pigmentvorming, structuur en uiterlijk van de haren en de botvorming. De lichaamsreserve aan koper bevindt zich in de lever. Omdat melk zeer weinig koper bevat zijn jonge dieren voor de eerste groei bijna geheel afhankelijk van de voorraad die ze bij de geboorte meekrijgen. Drachtige dieren verdienen derhalve speciale aandacht voor dit sporenelement.

De grootste koper-tekorten worden nog steeds waargenomen bij jongvee aan het einde van de  weideperiode. Typisch hierbij zijn een verandering van het haarkleed: grijs-witte depigmentering van het zwarte haar en vuilgele verkleuring van het witte haar (duidelijkst op de schoft). Ook de zogenaamde “koperbril” rond de ogen is meestal duidelijk zichtbaar. Andere, maar minder duidelijke verschijnselen kunnen zijn: te weinig ontwikkeling, weinig rompdiepte, verdikte kogels (blokvoeten), slechte conditie, diarree en verlaagde melkproductie.

Uit een onderzoek bleek dat op ongeveer 50 % van de bedrijven met zoogkoeien een tekort aan koper in het rantsoen werd vastgesteld.

 

    Tabel 1:   Verstrekking van extra koper via mengvoer of mineralensupplement.

 

 

Diercategorie

% bedrijven zonder extra koper

 

STALPERIODE

WEIDEPERIODE

KALVEREN

11

56

PINKEN

21

85

KOEIEN

23

79

 

 

  KOBALT

Een onvoldoende kobalt-voorziening leidt bij herkauwers tot een onvoldoende vorming van vitamine B12 waardoor een ontoereikende microbiële groei in de pens. Hierdoor vermindert niet alleen de opbrengst aan microbieel eiwit, maar neemt eveneens de voerverwerkings-capaciteit van de pens af. Dit resulteert in een onvoldoende energievoorziening waardoor jonge dieren slecht ontwikkelen of lacterende koeien onvoldoende melk produceren.

In de praktijk zien we dat bij een kobalt-tekort bij pas afgekalfd melkvee het risico op ketose gevoelig toeneemt. Er zijn eveneens aanwijzingen dat een overmatig kaligehalte in het rantsoen (= grasproducten) nadelig is voor de kobalt-benutting, hetgeen zo een vitamine B12-tekort kan veroorzaken.

Internationaal wordt aangegeven dat rantsoenen voor herkauwers minimaal 0,15 à 0,20 mg kobalt/kg droge stof moeten bevatten.     

 

  SELENIUM

Bij een selenium-gebrek ontstaat gemakkelijk schade aan de weefsels: spier-degeneratie, levernekrose, … Ook bloedlichaampjes kunnen vernietigd worden, waardoor bloedarmoede kan ontstaan.

De meest schadelijke vorm van selenium-gebrek uit zich echter in een sterk verminderde immuniteit (weerstand tegen ziekten) waardoor een grotere kans op mastitis. Het opblijven van de nageboorte houdt eveneens in vele gevallen verband met een gebrekkige selenium-toestand.

De meeste selenium-tekorten worden vastgesteld op het einde van de weideperiode.

De werking van selenium vertoont enkele opvallende overeenkomsten met die van vitamine E (mastitis, opblijven nageboorte, spierdystrofie, …): ze kunnen elkaar niet vervangen, doch wel elkaars werking versterken.

 

 

Besluit:

 

In de weideperiode komt gemiddeld 2/3 van de droge stof-opname uit gras. De hoeveelheid Mineralen en sporenelementen die in dit gras zit en de benutting hiervan zijn afhankelijk van de grondsoort, bemesting en botanische samenstelling van het gras.

Verder spelen het ontwikkelingsstadium van het gras, het seizoen en de weers-omstandigheden een belangrijke rol. Een tekort aan mineralen en/of sporenelementen kan leiden tot productieverlies, gezondheidsstoornissen en vruchtbaarheidsproblemen.

Bij een aantal extreme tekorten zal de herkauwer zelf proberen deze aan te vullen door o.a. urine drinken, molshopen eten, boomschors afpellen, …

Een herkauwer beschikt immers over een zelf-regulerend opnamesysteem voor mineralen.Voorkomen is nog steeds beter en vooral goedkoper dan genezen ! Het is daarom zinvoller om tijdens de zomer losse mineralen (in de voederbak) of een handige likemmer vrij ter beschikking te stellen van het rundvee. Een aangepaste samenstelling per diersoort is wenselijk om aan de specifieke behoeften te voldoen.